Het Vlaamse economische filmfonds Screen Flanders wordt opgedoekt. Dat gebeurt in het kader van de besparingsronde van de Vlaamse regering. Het fonds, dat film- en televisieproducties ondersteunde, verdwijnt daarmee als financieringskanaal voor de audiovisuele sector.
Screen Flanders was een economisch filmfonds dat producties in Vlaanderen en Brussel financieel ondersteunde. Het fonds trok middelen uit voor de audiovisuele sector en was daarmee een van de instrumenten waarmee de Vlaamse overheid producties wilde aantrekken en ondersteunen. De beslissing om het fonds te schrappen, betekent dat producenten die een beroep deden op Screen Flanders op zoek moeten naar alternatieve financiering.
De impact reikt verder dan Vlaanderen alleen. Ook Brusselse films en series die via Screen Flanders werden gefinancierd, verliezen een bron van inkomsten. Brussel en Vlaanderen zijn op het vlak van audiovisuele productie nauw met elkaar verweven: productiehuizen, crews en facilitaire bedrijven werken vaak over de gewestgrenzen heen. Wanneer een fonds als Screen Flanders wegvalt, raakt dat dus ook producties die in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest worden gemaakt of er hun productiebasis hebben.
De opdoeking van Screen Flanders past in een bredere besparingsbeweging binnen de Vlaamse regering. Bij zulke oefeningen worden niet alleen uitgaven in de klassieke welzijns- en onderwijssectoren tegen het licht gehouden, maar ook economische instrumenten zoals investerings- en steunfondsen. Screen Flanders behoorde tot die categorie: het was geen cultuursubsidie in de enge zin, maar een economisch instrument dat via financiering productieactiviteit en werkgelegenheid in de audiovisuele sector moest ondersteunen.
Voor de sector komt de beslissing op een moment dat de audiovisuele productie toch al onder druk staat. Streamingplatformen en internationale spelers veranderen de manier waarop films en series worden gemaakt en gefinancierd. Publieke fondsen zijn voor veel Europese producties een belangrijk onderdeel van de financieringsmix, omdat ze risico's helpen afdekken en producties met een lokaal karakter mogelijk maken. Het wegvallen van een dergelijk fonds vermindert de speelruimte voor producenten die niet uitsluitend op private investeerders of buitenlandse opdrachtgevers kunnen rekenen.
De gevolgen voor de Brusselse sector zijn concreet: producenten die een beroep deden op Screen Flanders moeten hun financieringsplannen herzien. Dat kan betekenen dat projecten worden uitgesteld, verkleind of geschrapt. Ook de werkgelegenheid voor freelancers in de sector — van technici tot scenaristen en montagepersoneel — kan daarvan de gevolgen voelen, omdat productiebudgetten doorgaans rechtstreeks doorwerken in het aantal mensen dat aan een productie wordt verbonden.
Of en hoe de Vlaamse middelen die met Screen Flanders gepaard gingen, elders worden ingezet, is nog niet duidelijk. De beslissing roept in ieder geval vragen op over de toekomst van de publieke ondersteuning voor film en televisie in Vlaanderen en Brussel. Sectororganisaties en producenten zullen naar verwachting aandringen op duidelijkheid over vervangende instrumenten, zodat de audiovisuele sector niet zonder financieringskader komt te zitten.
5