In Vlaanderen is in elf jaar tijd slechts één schadedossier over everzwijnen vergoed. Het gaat om een Limburgs dossier dat 270 euro schadevergoeding kreeg. Dat blijkt uit een parlementaire vraag van Vlaams parlementslid Lydia Peeters (Anders). Tussen 2014 en 2025 werden nochtans 294 schadedossiers ingediend, bijna 300 aanvragen op elf jaar tijd.
Volgens Peeters blijft de overlast door everzwijnen in onder meer Limburg en de Antwerpse Kempen toenemen. De schade zit vooral in Limburg en deels in Vlaams-Brabant. Ondanks het grote aantal aanvragen werd er tot nu toe dus nauwelijks een uitbetaling gedaan. Peeters vindt dat de procedure om een schadevergoeding aan te vragen eenvoudiger moet worden. Ze trekt daarom aan de alarmbel en vraagt bevoegd minister Brouns om dringend in te grijpen.
Peeters stelt vast dat de schadevergoeding op papier bestaat, maar in de praktijk nauwelijks toegankelijk is. Ze citeert het als volgt: « De schadevergoeding bestaat op papier maar is in de praktijk nauwelijks toegankelijk. » Volgens haar worden gedupeerden daardoor nauwelijks beschermd. De huidige procedure zou een belangrijke reden zijn waarom zo weinig dossiers tot een vergoeding leiden.
De cijfers passen in een bredere context van wildoverlast in Vlaanderen. Uit het laatste rapport van ‘Dieren onder de wielen’ blijkt dat vrijwilligers tussen juni 2022 en eind 2025 in totaal 30.767 aangereden dieren hebben geregistreerd. Doodgereden gewone padden, egels en steenmarters werden het vaakst gemeld. In de provincie Antwerpen werden de meeste dieren aangereden, in West-Vlaanderen het minst. Dat rapport gaat over verkeersslachtoffers en niet specifiek over schade door everzwijnen, dus de twee cijferreeksen mogen niet met elkaar verward worden.
Voor gedupeerde landbouwers en tuineigenaars betekent het weinig dat er op papier een regeling bestaat, zolang het indienen en doorlopen van een dossier voor de meesten te moeilijk blijft. Peeters' vraag aan minister Brouns richt zich dan ook op een eenvoudigere procedure, zodat de vergoedingsregeling daadwerkelijk kan worden gebruikt. Of en hoe de minister op die vraag zal reageren, is op het moment van schrijven niet bekend.
2