Het parket van Brussel heeft acht van de zestien minderjarigen die vrijdag werden opgepakt na de rellen in Brussel, opnieuw naar huis moeten sturen. Er was geen plaats in een jeugdinstelling. Dat bevestigt het parket. In verschillende dossiers had de jeugdrechter een plaatsing nochtans noodzakelijk geacht.
Onder de betrokken jongeren bevinden zich twee zestienjarigen en een veertienjarige. Zij worden verdacht van ernstige feiten tijdens de rellen van vrijdag. Het gaat niet om kleine vergrijpen: de jeugdrechter oordeelde in meerdere dossiers dat een plaatsing in een gesloten instelling de enige gepaste maatregel was. Toch konden die beslissingen niet worden uitgevoerd.
Het probleem beperkt zich niet tot de jeugdinstellingen. Volgens het parket zijn ook de alternatieven voor plaatsing verzadigd. Er is dus geen uitwijkmogelijkheid: geen plaats in een instelling, geen plaats in een alternatief traject. Het gevolg is dat minderjarigen die door de rechter als gevaarlijk of als een risico voor de samenleving worden beschouwd, gewoon terug naar huis gaan.
Het parket betreurt de situatie en richt zich rechtstreeks tot de politiek. «Om de geloofwaardigheid van de jeugdrechtspleging te herstellen», klinkt het, moeten er dringend meer plaatsen komen. Zonder opvangcapaciteit blijven gerechtelijke beslissingen dode letter. Dat ondermijnt niet alleen het gezag van de jeugdrechter, maar ook het vertrouwen van burgers in justitie.
De vrijlating van de minderjarigen komt bovenop een toch al beladen week in Brussel. Vrijdag braken zware rellen uit na een betoging in de hoofdstad. De politie pakte zestien minderjarigen op. Acht van hen konden dus niet worden vastgehouden wegens het plaatsgebrek. De feiten die hen ten laste worden gelegd, worden door het parket als ernstig omschreven.
De Brusselse jeugdinstellingen kampen al langer met een structureel tekort aan capaciteit. De Openbare Instelling voor Jeugdbescherming (IPPJ), waar minderjarigen met een plaatsingsmaatregel terecht moeten, zit vol. Wanneer de rechter een plaatsing beveelt, moet er ook effectief een plaats zijn. Is die er niet, dan rest het parket geen andere keuze dan de jongere vrij te laten onder voorwaarden of zelfs zonder.
Dat roept vragen op over de opvolging. Komen de vrijgelaten minderjarigen hun voorwaarden na? Worden ze begeleid? Zonder plaatsing is er geen gestructureerd kader. Het parket waarschuwt dat dit de jeugdrechtspleging uitholt: de rechter spreekt een maatregel uit, maar de uitvoering ervan faalt.
De oproep aan de politiek is expliciet. Het gaat niet om een lokaal incident, maar om een structureel probleem dat zich in heel België kan voordoen. Jeugdinstellingen en alternatieven zitten overal onder druk. In Brussel wordt dat nu pijnlijk zichtbaar: daders van ernstige feiten wandelen vrij rond omdat er simpelweg geen plek is om hen op te vangen.
Voor de slachtoffers en voor de buurt waar de rellen plaatsvonden, is dat een moeilijke boodschap. De maatregelen die de rechter nodig achtte, worden niet uitgevoerd. Het parket hoopt dat de politiek de boodschap begrijpt: zonder investering in jeugdinstellingen en alternatieven blijft de jeugdrechtspleging tandeloos.
3